Categorie archief: Film

What the modern era has gained in civility it has lost in poetic inspiration

In het kielzog van de op 1 september 2011 startende verkiezingscampagnes in de U.S.A. en in het licht van de manier waarop Nederland nog steeds naar Amerika kijkt als moderne, liberale heilstaat, opent op 3 september de tentoonstelling What the modern era has gained in civility it has lost in poetic inspiration in 1646. Kunstenaar Joris Lindhout en curator Maaike Gouwenberg deconstrueren het romantische en mythische beeld dat Hollywood nog steeds van Dixie produceert. Deze zuidelijke staten zijn door het neo-liberalisme als ‘gefaald’ bestempeld.

Met het fenomeen Southern Gothic als leidraad maakten zij een roadtrip door de zonnige duisternis van de net over de bible-belt heen stulpende vadsige onderbuik van Amerika. In hun gitzwarte Ford Explorer verkenden zij het terrein dat door schrijvers als William Faulkner, Flannery O’Connor, James Dickey, Cormac McCarthy en Harry Crews werd omschreven met terugkerende thema’s als discriminatie, fundamentalistisch christendom, xenofobische bergbewoners, culturele woestenij en armoede.

Met de ramen dicht en de airco op maximaal voerde de tocht door een derde wereld landschap waarin de feitelijke financiële armoede wordt verhuld met geveinsde nostalgische culturele rijkdom zoals de civil war re-enactments. Waarin de werkelijke culturele rijkdom, de verhalen en muziek, de huiskamer niet kan verlaten vanwege de financiële armoe. Een landschap waarin de overheid het Spanish Moss van Faulkners verhalen heeft vervangen door de alles verslindende Kudzu, een snel groeiende bonenstaak uit Japan. Een landschap vol ruïnes van verlaten mobile homes en kerken groter en moderner dan de Essalaam moskee in Rotterdam. Maar in de Southern States vonden Lindhout en Gouwenberg ook een landschap dat in elke achtertuin een museum of een installatie herbergt, waar je bij een bbq-joint lekkerder kan eten dan bij de Librije en waar ze de muziek maken die aan de basis ligt van de hedendaagse popmuziek.

What the modern era has gained in civility it has lost in poetic inspiration laat de Zuidelijke Staten zien door de ogen van kunstenaars, muzikanten en documentaire makers die er zijn opgegroeid alsmede door kunstenaars met een jarenlange fascinatie voor het gebied. Hoe ziet het leven eruit aan de andere kant van de mythe?

Ondersteunende events:
8 September, 20.00 hrs
“Stranger with a Camera”
Documentaires uit de zuidelijke Appalachen in samenwerking met Appalshop uit Whitesburg Kentucky

22 September, 20.00 hrs
“A piece of the body torn out by the roots might be more to the point”
– James Agee, Let Us Now Praise Famous Men
Talk and discussion with Jeremiah Day on the difficulty and stakes of the representation of political struggle in the US South.
Lezing over de invasieve plant Kudzu door Reinout Havinga, van de Hortus Botanicus in Amsterdam.

Booklaunch
“To live in the South one has to be a scar lover”
Publicatie met teksten van: Agnes Andeweg, Harry Crews, Hal Crowther, Maaike Gouwenberg & Joris Lindhout, Maxime Lachaud Tom Patterson en Maarten Zwiers.

24 September, 20.00 hrs
onderdeel van TodaysArt
“The Root of Bluegrass”
Ondersteund door live muziek en een verzameling platen schetsen Theo Marks en Han Orsel een beeld van een gebied dat prachtige en invloedrijke muziek voortbracht tijdens een van de meest vreselijke periodes van de Westerse moderne tijd.

What the modern era has gained in civility it has lost in poetic inspiration

Deelnemende kunstenaars: Brad Benischek & Case Miller, Chris Cogan, Jeremiah Day, Howard Finster, Joris Lindhout, Greely Myatt, Ricky Needham, Sanne Peper, Paul Thomas en Michel Varisco.
Curatoren: Maaike Gouwenberg en Joris Lindhout.

Met dank aan: Hortus Botanicus Amsterdam, USDA, ARS, Plant Genetic Resources Conservation Unit, Georgia, Pierre Tol, Victor Faccinto, en Laura Lashley.

Ondersteund door: Gemeente Den Haag, Stroom, Prins Bernhard Cultuurfonds Zuid-Holland, Fonds BKVB, en het Materiaalfonds.

Advertenties

Jezus in Athene

Geloof is in Dixie normaler dan het hebben van een tv. De meeste mensen trouwen jong en gaan op zondag naar de kerk. Zo ook de studenten van de Lamar Dodd School of Art in Athens Georgia, waar kunstenaar Christopher Cogan lesgeeft. Hij introduceert de studenten in een wereld waar ze versteld van staan en probeert de liefde voor Jezus aan te vullen met de liefde voor hedendaagse kunst en het denken daarover.

Na zijn studie in Frankrijk woonde hij in Amsterdam waar hij terecht kwam in de house-scene van de jaren ’90, in eerste instantie als runner bij de iT. In die tijd zette hij de performance band Melted Men op waarmee hij eens in de vier jaar rondtoert. Het zijn over de top performances ondersteund door waanzinnige verhalen en meeslepende, soms oorverdovende maar goed dansbare muziek. Chris springt zelf hyperactief over het toneel en doet het vertelwerk in een mix van talen. The Player uit Rotterdam bracht hun muziek op vinyl uit.

Ver weg van deze bizarre, aan de Roxy-tijd herinnerende performances, in het idyllische stadje Athens, maakt Cogan video’s, installaties, performances en sculpturen die veelal refereren aan verhalen en gebeurtenissen in de zuidelijke staten. De explosieve energie die je terug vindt in de Melted Men performances vinden hier hun weg in sociaal-politiek gemotiveerde theatrale opstellingen die doen denken aan een mix tussen Olaf Breuning en Marc Bijl.

Athens is in de staat Georgia een van de weinige steden waar hedendaagse kunst een plek heeft. Het plaatsje staat bekend als een ‘College Town’, wat betekend dat er een universiteit staat. Zo’n universiteit maakt een wereld van verschil: in een College Town vind je nog allerhande lokale winkels en koffiehuizen, heb je galeries en musea, is er een actieve hedendaagse muziek scène, en support iedereen het lokale Football team.

De beeldende kunstafdeling van de Lamar Dodd School of Art wordt geleid door Rotterdamse kunstenaar Martijn van Wagtendonk. Met hem maakten we het briljante plan voor een academie waarin de Christelijke studenten worden opgeleid vanuit de liefde voor Jezus (Jezus is in Dixie de man, over God hebben ze het niet zo vaak). Door het curriculum zo in te richtten dat alle facetten van het geloof benaderd worden vanuit de kunsten zouden dit wel eens hele goeie studenten kunnen worden. Waar de studenten nu zachtjes worden gepushd niet te veel van hun liefde voor het geloof in hun ‘kunst’ te verwerken zou deze extreme school juist een catharsis kunnen opleveren die de studenten naar het volgende niveau kan brengen. Religieuze kunst die voorbijgaat aan de propaganda. Het begin van een nieuwe stroming, met van Wagtendonk als nieuwe Paulus?

Zine 3: Southern Gothic #3

Het derde zine is af! #3 is geheel samengesteld door ons (Maaike Gouwenberg en Joris Lindhout), en beschouwt het archetypische beeld van Dixie zoals neergezet door de Amerikaanse filmindustrie.

Download Southern Gothic #3 (pdf, 5mb)

De Hillbilly

Mythisch Dixie (Dixie zoals voorgesteld in de media) bestaat uit twee gebieden: De moerassen en de bergen. De bergen bestaan in feite uit de Appalachen en de Ozarken, gebergten in werkelijkheid enkele honderden mijlen van elkaar gescheiden door vlak boeren land. In Mythisch Dixie echter vormen deze twee het gebergte ‘The Southern Mountains’.

Vaak wordt de Redneck gezien als het stereotype blanke Dixie-bewoner. Alhoewel de origines van het begrip zeer waarschijnlijk wel in Dixie liggen, is Redneck toch veel meer een synoniem geworden voor ‘poor white trash’. Met andere woorden: Een Redneck kan net zo goed uit upstate New York of Alaska komen. De Hillbilly daarentegen komt onmiskenbaar uit de Southern Mountains.

Voor onze generatie (opgegroeid met films als The Texas Chainsaw Massacre, Wrong Turn en Deliverance) staat ‘Hillbilly’ vooral voor inteelt families bestaande uit moordlustige, perverse, ongewassen imbecielen woonachtig in de middle of nowhere. De generatie van onze ouders denkt waarschijnlijk eerder aan gezellige mensen die ouderwetse normen en waarden hoog in het vaandel hebben (opgegroeid zijnde met The Beverly Hillbillies). Mochten onze grootouders in de VS hebben gewoond dan hadden die waarschijnlijk gedacht aan dommige mensen met het hart op de juiste plek (deze generatie groeide op met de comic Li’l Abner in de kranten). En als onze overgrootouders ook al in de VS woonden dachten zij – net als wij – aan gevaarlijke en gewelddadige criminelen (mits ze het geld hadden gehad om de eerste ‘Mountaineer’ films in de bioscoop te gaan zien).

Een kort historisch overzicht:
De Southern Mountains waren vooral in trek bij immigranten uit Schotland en Ierland, en het meest populair bij het onafhankelijke en vrijgevochten type. Deze trotste Mountaineers lieten niet met zich spotten, en zo kwam het dat families vaak in een onderlinge strijd belandden. De bekendste strijd is de Hatfield – McCoy strijd van rond 1880. Een strijd waarschijnlijk ontstaan vanuit een economisch geschil, maar in de populaire pers min of meer afgeschilderd als een uiting van irrationeel geweld. Een portret van een van de mannen van de Hatfield familie (William Anderson Hatfield, ook wel ‘Devil Anse’) vormde een belangrijke basis voor de toekomstige weergaven van de bergbewoners. Een chagrijnige man met een lange baard, pijp, zachte vilten hoed en een geweer. Niet veel later kwamen daar de tuinbroek en fles Moonshine bij, en verdwenen de schoenen.

De eerste films over Mountaineers (zo werd er voor de uitvinding van de Hillbilly naar de bergbewoners verwezen) gebruikte dit stereotype, en gebruikte de onderlinge strijd tussen families als basis voor het script, vaak in combinatie met een aan Moonshine gerelateerde sub-plot. Een van de belangrijkste regisseurs van de vroege Mountaineer-film is D.W Griffith (bekend van Birth of a Nation). Zoals bekend nam Griffith het niet zo nauw met dingen als politieke correctheid, en de Mountaineer film was voor hem een antwoord op een aantal problemen die hij tegenkwam bij zijn andere films. De Mountaineer kon hij net zo achterlijk en/of gevaarlijk wegzetten als de Afro-Amerikaan, maar gezien de Mountaineer een blank stereotype is kon hij met blanke hoofdrol spelers werken. Een van de belangrijkste voordelen was dat deze hoofdpersoon een romance aan kon gaan met een vrouwelijke tegenspeler.

In 1900 schreef politiek correspondent Julian Hawthorne een artikel voor New York Journal waarin hij het woord Hillbilly gebruikt. Alhoewel in het artikel duidelijk wordt dat het woord door mensen uit de Appalachen al gebruikt werd (wat ook ondersteund wordt door andere bronnen), is het woord ‘Hillbilly’ in zijn artikel de eerste verschijning in print. ‘Hillbilly’ is niet direct een populaire term: alvorens het ‘Mountaineer’ kan vervangen moet het begrip een handje worden geholpen door de muziek industrie.

Ralph Sylvester Peer maakte veld-opnames van Afro-Amerikaanse Blues zangers in Dixie. Op een dag kwam een van zijn afspraken niet opdagen, en gebruikte hij de vrijgekomen tijd om een fiddler uit de Southern Mountains op te nemen. Tot zijn verbazing verkocht deze opname zeer goed, en dus begon hij meerderde muzikanten uit de bergen op te nemen. Bij gebrek aan een naam voor deze nieuw ontdekte muziek doopte hij het Hillbilly, een term die alle grote studio’s rond 1936 hadden overgenomen. Het was nog wat vroeg voor Punk, en gewelddadige, moonshine zuipende muzikanten verkochten daardoor niet zo goed in 1936. Onder invloed van onder andere Peer veranderde de Hillbilly in een simpele, pretentieloze, grappige outsider – ongevaarlijk voor kinderen, en dus zeer goed verkoopbaar.

Toen de Hillbilly niet meer genoeg platen verkocht werd hij verruild voor de Cowboy. Hillbilly muziek heette voortaan Country. Maar de Hillbilly-light werd in leven gehouden door verschillende strips in kranten. Paul Webb’s strip The Mountain Boys teerde nog het meest op het oude beeld van de Hillbilly. Zijn drie karakters zijn een stel Moonshine-drinkende luilakken zonder schoenen.

Geweldadig zijn ze echter niet, en dus vormde ze een geschikte basis voor de eerste Mountain Dew advertenties (Mountain Dew is slang voor Moonshine, het Pepsi drankje zoals wij dat nu nog kennen werd gelanceerd in een tijd dat de Hillbilly in zwang was), maar ook voor een stukje uit de Disney film Make Mine Music.

Dit blikje vonden we later nog bij een benzinepomp

Deze twee afbeeldingen zien er op het eerste gezicht toch vrij geweldadig uit – het gaat echter vooral om de komische ondertoon die het geweld neutraliseert (iets wat in de eerste Mountaineer films totaal afwezig was).

Naast The Mountain Boys is ook Al Capp’s Li’l Abner belangrijk voor de evolutie van de Hillbilly. De strip is al eerder ingeleid op deze blog. Wat belangrijk is om daar aan toe te voegen is dat Li’l Abner als inspiratie diende voor de wereldberoemde tv serie The Beverly Hillbillies. De serie gaat over een familie Hillbillies die naar Beverly Hills verhuizen. Er is olie gevonden op hun land in de Southern Mountains, en dus hebben ze het voor veel geld kunnen verkopen. Bedenker Paul Henning gebruikte de Hillbillies dit keer niet om de outsiders belachelijk te maken, maar om de upperclass van Beverly Hills zelf op de hak te nemen. Net als in het in Nederland beter bekende Flodder.

De serie was populair in dezelfde tijd dat Amerika de ‘War on Poverty‘ voerde. De armoede in de Southern Mountains was groot, en velen zochten hun heil in industriële steden als Detroit en Chicago. De stadsbewoners waren als de dood voor de invoer van ‘achterlijk bergvolk’. Televisie series als The Beverly Hillbillies vertaalde deze spanningen in een sitcom, de documentaire Stranger With a Camera geeft een nauwkeuriger beeld van de spanningen aan beide kanten van het mes.

Toen de politiek haar interesse in de armoede van de Southern Mountains verloor leek het even of de Hillbilly zijn beste tijd had gehad. Door de inmiddels weide verspreiding van bergbewoners over de gehele VS begon het stereotype meer en meer politiek incorrect te worden. Totdat John Boorman besloot het boek Deliverance van James Dickey te verfilmen. Alhoewel het boek subtieler omgaat met het stereotype, en meer het verlies van contact met de natuur van stadsbewoners als uitgangspunt neemt, werd Deliverance bekend door de ethiekloze, anaal verkrachtende, varkens liefhebbende imbecielen uit de bergen. En daarmee zijn de bergbewoners van Dixie weer terug bij af.

Rich Hall’s ‘The Dirty South’

In de documentaire ‘The Dirty South‘ Legt Rich Hall de Hollywood-versie van de moderne geschiedenis van Dixie naast de realiteit. Hilarisch natuurlijk (zoals Hall’s samenvatting van Easy Rider: “And than they smoke some pot, and they ride their bikes. They stop to smoke some pot, and ride their bikes some more. After that they smoke some pot, and ride their bikes…etc,etc.”), maar ook leerzaam. Hall introduceert een aantal belangrijke gebeurtenissen uit de Southern cultuur.

Zo is er in 1960 een film gemaakt over de ‘Scopes Monkey‘ rechtzaak. De zaak betreft een biologieleraar die evolutie onderwees in 1925, wat onwettig was volgens de Butler Act (welke het illegaal maakte om de bijbelse origine van de mens te ontkennen). De film Inherit the Wind maakt gebruik van deze zaak om een parabool te leggen met het anti-intellectuele beleid van president McCarthy.

Inherit the Wind

In 1934 begon Al Capp de satirische comic Li’l Abner. De comic gaat over een fictieve groep hillbillies in Kentucky, en werd gedurende 43 jaar in verschillende kranten gepubliceerd. Met Li’l Abner creëerde Capp de eerste wijdverspreide comic in de VS waarin politiek en sociale kritiek een grote rol speelde.

Lil Abner

Searching for the Wrong-Eyed Jesus

Op het IDFA 2005 zagen wij de documentaire Searching for the Wrong-Eyed Jesus. Regisseur Andrew Douglas verkent samen met country zanger Jim White de zuidelijke staten van de VS. In een roestige auto gaan ze opzoek naar de muziek en de verhalen die de identiteit van ‘the South’ weergeven.

Mooie beelden van de natuur in the South worden afgewisseld met korte toelichtingen van White. Af en toe wordt er iemand anders aan het woord gelaten. Zo ook de schrijver Harry Crews, onder andere bekend van het zeer aan te raden A feast of Snakes.