Categorie archief: Muziek

Jezus in Athene

Geloof is in Dixie normaler dan het hebben van een tv. De meeste mensen trouwen jong en gaan op zondag naar de kerk. Zo ook de studenten van de Lamar Dodd School of Art in Athens Georgia, waar kunstenaar Christopher Cogan lesgeeft. Hij introduceert de studenten in een wereld waar ze versteld van staan en probeert de liefde voor Jezus aan te vullen met de liefde voor hedendaagse kunst en het denken daarover.

Na zijn studie in Frankrijk woonde hij in Amsterdam waar hij terecht kwam in de house-scene van de jaren ’90, in eerste instantie als runner bij de iT. In die tijd zette hij de performance band Melted Men op waarmee hij eens in de vier jaar rondtoert. Het zijn over de top performances ondersteund door waanzinnige verhalen en meeslepende, soms oorverdovende maar goed dansbare muziek. Chris springt zelf hyperactief over het toneel en doet het vertelwerk in een mix van talen. The Player uit Rotterdam bracht hun muziek op vinyl uit.

Ver weg van deze bizarre, aan de Roxy-tijd herinnerende performances, in het idyllische stadje Athens, maakt Cogan video’s, installaties, performances en sculpturen die veelal refereren aan verhalen en gebeurtenissen in de zuidelijke staten. De explosieve energie die je terug vindt in de Melted Men performances vinden hier hun weg in sociaal-politiek gemotiveerde theatrale opstellingen die doen denken aan een mix tussen Olaf Breuning en Marc Bijl.

Athens is in de staat Georgia een van de weinige steden waar hedendaagse kunst een plek heeft. Het plaatsje staat bekend als een ‘College Town’, wat betekend dat er een universiteit staat. Zo’n universiteit maakt een wereld van verschil: in een College Town vind je nog allerhande lokale winkels en koffiehuizen, heb je galeries en musea, is er een actieve hedendaagse muziek scène, en support iedereen het lokale Football team.

De beeldende kunstafdeling van de Lamar Dodd School of Art wordt geleid door Rotterdamse kunstenaar Martijn van Wagtendonk. Met hem maakten we het briljante plan voor een academie waarin de Christelijke studenten worden opgeleid vanuit de liefde voor Jezus (Jezus is in Dixie de man, over God hebben ze het niet zo vaak). Door het curriculum zo in te richtten dat alle facetten van het geloof benaderd worden vanuit de kunsten zouden dit wel eens hele goeie studenten kunnen worden. Waar de studenten nu zachtjes worden gepushd niet te veel van hun liefde voor het geloof in hun ‘kunst’ te verwerken zou deze extreme school juist een catharsis kunnen opleveren die de studenten naar het volgende niveau kan brengen. Religieuze kunst die voorbijgaat aan de propaganda. Het begin van een nieuwe stroming, met van Wagtendonk als nieuwe Paulus?

Advertenties

Een monument voor het monument

Jeremiah Den Helder

'A film about a politician', performance, 2011 Den Helder

Over het algemeen komt de roep om een monument voor een bepaald persoon of bepaalde gebeurtenis vanuit het volk. Via de lokale politiek wordt er geld vrijgemaakt, een commissie uitgeschreven, en een plek geregeld. De groep mensen die emotioneel belang hebben bij het monument mogen hun zegje doen als jurylid, samen met de politiek verantwoordelijken. Dit gaat bijna altijd goed. Als een van de partijen een steekje laat vallen kan het echter uitdraaien op een langdurige rel, zoals bij het Anton de Kom monument in de Bijlmer. Terwijl de nazaten van Anton de Kom achter de uiteindelijke keuze van het kunstwerk stonden, waren diegenen die om het monument hadden gevraagd zelf niet gecharmeerd en zelfs zeer gekwetst en boos. Een jaren lange strijd was het gevolg. Geschiedenis bewijst zich op zo’n moment als een zeer gevoelig instrument dat alleen zuiver klinkt als alle snaren op de juiste manier worden aangeslagen.

Jeremiah Day krakersmonument

Krakersmonument, 2009

Van kunstenaar Jeremiah Day zou je kunnen zeggen dat hij dit instrument gebruikt om Jazz te spelen. In zijn pogingen om zich te verhouden tot historische, soms vergeten locaties, bewegingen of personen stelt hij zichzelf buitengewone opdrachten (zoals het realiseren van een monument voor de kraakbeweging) die bijzondere vragen oproepen en onderzoeken. Want wie mag er eigenlijk om een monument vragen en wie bepaalt of die persoon of gebeurtenis een monument waard is? En moet een monument eigenlijk wel tijdloos en ruimtelijk zijn? Wie is dan het publiek van zo’n monument? Hoe representeer je de zaken waar het echt om gaat zoals bijvoorbeeld het activeren van burgers door de kraakbeweging?

No Words For You, Springfield, 2008 (detail van installatie)

Alhoewel Day de term ‘monument’ niet altijd gebruikt in directe relatie tot al zijn werken, spelen bovenstaande zaken zeker een rol in al die werken. Zoals in zijn vorig jaar bij Ellen de Bruijne Projects vertoonde werk LA Homicide. Day maakte foto’s van crime scenes waarvan hij beschrijvingen vond op een weblog van de Los Angeles Times. De blogs tonen een kaartje met de exacte locatie van het misdrijf en een korte tekst die het misdrijf omschrijft. Day’s foto’s laten iets zien wat de blog niet toont, maar verhullen eigenlijk alles wat de blog wel toont. Grimmige stadsgezichten van een L.A zonder mensen. De foto’s geven de vermoorden een stem die groter is dan een blogpost van 6 regels en die romantischer is dan een kaartje met een pijl. De gruwelijkheden zijn niet in een abstracte vorm gegoten maar de plek is zwanger van het verhaal, gevangen in de foto. Day maakte een monument voor de vermoorden.

Bij zijn foto’s hoort altijd een verhaal. Deze worden vaak op de foto’s zelf geschreven maar komen het beste tot hun recht in de performances waarin Day, net als in de Jazz, improviseert op een thema. Beeld, muziek en beweging komen samen in een moment waarin zowel de beelden als de beweging en de zang het onderwerp aftasten; er is geen definitieve foto van de plek, er is geen vaste choreografie in de beweging, en er is geen van te voren geoefende melodie. Deze bijna ongrijpbare monumenten lijken fragiel maar zijn door de open opzet sterk en laten een blijvende indruk achter in het hoofd van de toeschouwer.

Jeremiah Day

The Lowndes County Idea - above: marker for the murder of Elmore Bollings and surrounding property

Jeremiah

The Lowndes County Idea - site proposed by a local businessman for my future memorial to the Lowndes County Freedom Organisation.

Voor de tentoonstelling What the modern age has gained in civility it has lost in poetic inspiration toont Day een ‘work in progress’ van het monument wat hij wil oprichten voor de Lowdnes County Freedom Organization (LCFO). In 2007 is Day door het van Abbemuseum in Eindhoven uitgenodigd voor een residency in Alabama in het licht van hun Heartland tentoonstelling. Day deed er onderzoek naar de LCFO en de Black Panthers, woonde een aantal maanden bij Joanne Bland, die als 8-jarig meisje meeliep in de Selma to Montgomery march, en kreeg het idee een monument op te richten voor de LCFO. De gevoeligheid van het onderwerp en maakt het bedenken en oprichten van dit monument tot een lastige taak. Day zegt er zelf over:

In the Lowndes County: Scenario video, Gwen Patton, one of the original activists of the LCFO, comments that she opposed the “sensationalism” of the famous Panthers and their armed marches and staged photographs. The Alabama group wanted to stay out of the newspapers, and work towards winning the political offices that were “closest to the people. ” What form would a non-sensationalistic, close-to-the-people commemoration take? There is an echo here of the American Revolutionary leader (and eventual President) John Adams’ remark: “Democracy has no monuments. It strikes no medallions. It does not bear the head of a man on its coins. Its true essence is iconoclasm.”

Deze laatste opmerking is een controversiële: toen Máxima in 2007 min of meer stelde dat de Nederlandse cultuur niet bestond kreeg ze de wind van voren. Day gaat juist uit van de beweeglijkheid van een samenleving bij het opzetten van zijn monumenten. Het iconoclasme als een bevestiging van het belang van een monument: zijn werk is een monument voor het monument.

Tailgatin’

Amerikanen houden van veel eten, drinken, (duur-)sport en het praten over sport.

Een football game is een bijzonder goede gelegenheid om dit alles te combineren tijdens een Tailgate party, vernoemd naar de achterklep van een truck (en dus een echte Southern traditie). De (college) football fans trekken vroeg in de morgen in grote getale naar de parkeerplaatsen en parken rondom het stadion om zich daar alvast op all american family wijze voor te bereiden op de wedstrijd, die vaak pas laat in de middag of zelfs in de avond plaatsvindt. Ten eerste komt er achter de truck een party tent te staan, uiteraard in de kleuren van het team. Daaromheen komen opzettafels en grote koelboxen die het terrein van de party afbakenen. Mega knuffels en mega inflatables van de mascotte staan op prominente plaatsen. Grote bbq’s worden aangezet en gevuld met stukken vlees die langzaam in de rook garen. Grills worden opgestookt, gietijzeren potten met chili geroerd, coleslaw en aardappel salade opgemaakt en kleffe witte bollen, selderie stengels en chips op tafels uitgestald. Naast al het eten is er bier (en vaak wat sterke drank) om de middag door te komen. Vrienden en familie verzamelen zich rond de party tent om daar over de aankomende football game te speculeren, om bij te praten met een biertje in de hand en om een spelletje cornhole te spelen. Tegen de tijd dat de wedstrijd begint pakt een deel van de tailgaters zijn spullen in terwijl veel van de feestjes doorgaan en de wedstrijd wordt gevolgd via een groot tv scherm in de party tent.

De wedstrijd zelf duurt soms wel vier uur. Het stadion zit vol met fans die heen en weer lopen om snacks en cola te halen en tussen het aanmoedigen te discussiëren over de verschillende teams. Bier wordt in de meeste stadions niet geschonken om op die manier de rust te behouden. Wel zijn er veel cheerleaders die enigszins verveeld hun dansje doen en een harmonie orkest dat de gaten in het spel opvult met opzwepende loopjes. Ook worden de verschillende pauzes en time outs gebruikt om awards uit te reiken of de homecoming queen en king te huldigen.

Het leek bij de wedstrijd tussen de LSU Tigers (Louisiana State University) en de LMU Warhawks (Louisiana Monroe Univeristy) wel of iedereen op de universiteit deelneemt aan de wedstrijd. Is het niet op het veld (er stonden minstens 45 spelers op het veld die steeds werden gewisseld) dan is het wel in het orkest of als cheerleader.

Aan het einde van de wedstrijd, deze keer gewonnen door de Tigers met 51 – 0, gaat iedereen vredig naar huis om bij de volgende thuiswedstrijd de volgende tailgate party te organiseren. Het lijkt wel of de Amerikanen elke kans grijpen om een feestje te organiseren waarbij iedereen iets meeneemt, er veel wordt gepraat en matig wordt gedronken. In Nederland zul je dit toch niet snel zien bij een wedstrijd tussen universitaire teams, al is het tijdens het EK en WK ook een gezellige boel met veel oranje en gelukkig ook met heel veel bier.

De Hillbilly

Mythisch Dixie (Dixie zoals voorgesteld in de media) bestaat uit twee gebieden: De moerassen en de bergen. De bergen bestaan in feite uit de Appalachen en de Ozarken, gebergten in werkelijkheid enkele honderden mijlen van elkaar gescheiden door vlak boeren land. In Mythisch Dixie echter vormen deze twee het gebergte ‘The Southern Mountains’.

Vaak wordt de Redneck gezien als het stereotype blanke Dixie-bewoner. Alhoewel de origines van het begrip zeer waarschijnlijk wel in Dixie liggen, is Redneck toch veel meer een synoniem geworden voor ‘poor white trash’. Met andere woorden: Een Redneck kan net zo goed uit upstate New York of Alaska komen. De Hillbilly daarentegen komt onmiskenbaar uit de Southern Mountains.

Voor onze generatie (opgegroeid met films als The Texas Chainsaw Massacre, Wrong Turn en Deliverance) staat ‘Hillbilly’ vooral voor inteelt families bestaande uit moordlustige, perverse, ongewassen imbecielen woonachtig in de middle of nowhere. De generatie van onze ouders denkt waarschijnlijk eerder aan gezellige mensen die ouderwetse normen en waarden hoog in het vaandel hebben (opgegroeid zijnde met The Beverly Hillbillies). Mochten onze grootouders in de VS hebben gewoond dan hadden die waarschijnlijk gedacht aan dommige mensen met het hart op de juiste plek (deze generatie groeide op met de comic Li’l Abner in de kranten). En als onze overgrootouders ook al in de VS woonden dachten zij – net als wij – aan gevaarlijke en gewelddadige criminelen (mits ze het geld hadden gehad om de eerste ‘Mountaineer’ films in de bioscoop te gaan zien).

Een kort historisch overzicht:
De Southern Mountains waren vooral in trek bij immigranten uit Schotland en Ierland, en het meest populair bij het onafhankelijke en vrijgevochten type. Deze trotste Mountaineers lieten niet met zich spotten, en zo kwam het dat families vaak in een onderlinge strijd belandden. De bekendste strijd is de Hatfield – McCoy strijd van rond 1880. Een strijd waarschijnlijk ontstaan vanuit een economisch geschil, maar in de populaire pers min of meer afgeschilderd als een uiting van irrationeel geweld. Een portret van een van de mannen van de Hatfield familie (William Anderson Hatfield, ook wel ‘Devil Anse’) vormde een belangrijke basis voor de toekomstige weergaven van de bergbewoners. Een chagrijnige man met een lange baard, pijp, zachte vilten hoed en een geweer. Niet veel later kwamen daar de tuinbroek en fles Moonshine bij, en verdwenen de schoenen.

De eerste films over Mountaineers (zo werd er voor de uitvinding van de Hillbilly naar de bergbewoners verwezen) gebruikte dit stereotype, en gebruikte de onderlinge strijd tussen families als basis voor het script, vaak in combinatie met een aan Moonshine gerelateerde sub-plot. Een van de belangrijkste regisseurs van de vroege Mountaineer-film is D.W Griffith (bekend van Birth of a Nation). Zoals bekend nam Griffith het niet zo nauw met dingen als politieke correctheid, en de Mountaineer film was voor hem een antwoord op een aantal problemen die hij tegenkwam bij zijn andere films. De Mountaineer kon hij net zo achterlijk en/of gevaarlijk wegzetten als de Afro-Amerikaan, maar gezien de Mountaineer een blank stereotype is kon hij met blanke hoofdrol spelers werken. Een van de belangrijkste voordelen was dat deze hoofdpersoon een romance aan kon gaan met een vrouwelijke tegenspeler.

In 1900 schreef politiek correspondent Julian Hawthorne een artikel voor New York Journal waarin hij het woord Hillbilly gebruikt. Alhoewel in het artikel duidelijk wordt dat het woord door mensen uit de Appalachen al gebruikt werd (wat ook ondersteund wordt door andere bronnen), is het woord ‘Hillbilly’ in zijn artikel de eerste verschijning in print. ‘Hillbilly’ is niet direct een populaire term: alvorens het ‘Mountaineer’ kan vervangen moet het begrip een handje worden geholpen door de muziek industrie.

Ralph Sylvester Peer maakte veld-opnames van Afro-Amerikaanse Blues zangers in Dixie. Op een dag kwam een van zijn afspraken niet opdagen, en gebruikte hij de vrijgekomen tijd om een fiddler uit de Southern Mountains op te nemen. Tot zijn verbazing verkocht deze opname zeer goed, en dus begon hij meerderde muzikanten uit de bergen op te nemen. Bij gebrek aan een naam voor deze nieuw ontdekte muziek doopte hij het Hillbilly, een term die alle grote studio’s rond 1936 hadden overgenomen. Het was nog wat vroeg voor Punk, en gewelddadige, moonshine zuipende muzikanten verkochten daardoor niet zo goed in 1936. Onder invloed van onder andere Peer veranderde de Hillbilly in een simpele, pretentieloze, grappige outsider – ongevaarlijk voor kinderen, en dus zeer goed verkoopbaar.

Toen de Hillbilly niet meer genoeg platen verkocht werd hij verruild voor de Cowboy. Hillbilly muziek heette voortaan Country. Maar de Hillbilly-light werd in leven gehouden door verschillende strips in kranten. Paul Webb’s strip The Mountain Boys teerde nog het meest op het oude beeld van de Hillbilly. Zijn drie karakters zijn een stel Moonshine-drinkende luilakken zonder schoenen.

Geweldadig zijn ze echter niet, en dus vormde ze een geschikte basis voor de eerste Mountain Dew advertenties (Mountain Dew is slang voor Moonshine, het Pepsi drankje zoals wij dat nu nog kennen werd gelanceerd in een tijd dat de Hillbilly in zwang was), maar ook voor een stukje uit de Disney film Make Mine Music.

Dit blikje vonden we later nog bij een benzinepomp

Deze twee afbeeldingen zien er op het eerste gezicht toch vrij geweldadig uit – het gaat echter vooral om de komische ondertoon die het geweld neutraliseert (iets wat in de eerste Mountaineer films totaal afwezig was).

Naast The Mountain Boys is ook Al Capp’s Li’l Abner belangrijk voor de evolutie van de Hillbilly. De strip is al eerder ingeleid op deze blog. Wat belangrijk is om daar aan toe te voegen is dat Li’l Abner als inspiratie diende voor de wereldberoemde tv serie The Beverly Hillbillies. De serie gaat over een familie Hillbillies die naar Beverly Hills verhuizen. Er is olie gevonden op hun land in de Southern Mountains, en dus hebben ze het voor veel geld kunnen verkopen. Bedenker Paul Henning gebruikte de Hillbillies dit keer niet om de outsiders belachelijk te maken, maar om de upperclass van Beverly Hills zelf op de hak te nemen. Net als in het in Nederland beter bekende Flodder.

De serie was populair in dezelfde tijd dat Amerika de ‘War on Poverty‘ voerde. De armoede in de Southern Mountains was groot, en velen zochten hun heil in industriële steden als Detroit en Chicago. De stadsbewoners waren als de dood voor de invoer van ‘achterlijk bergvolk’. Televisie series als The Beverly Hillbillies vertaalde deze spanningen in een sitcom, de documentaire Stranger With a Camera geeft een nauwkeuriger beeld van de spanningen aan beide kanten van het mes.

Toen de politiek haar interesse in de armoede van de Southern Mountains verloor leek het even of de Hillbilly zijn beste tijd had gehad. Door de inmiddels weide verspreiding van bergbewoners over de gehele VS begon het stereotype meer en meer politiek incorrect te worden. Totdat John Boorman besloot het boek Deliverance van James Dickey te verfilmen. Alhoewel het boek subtieler omgaat met het stereotype, en meer het verlies van contact met de natuur van stadsbewoners als uitgangspunt neemt, werd Deliverance bekend door de ethiekloze, anaal verkrachtende, varkens liefhebbende imbecielen uit de bergen. En daarmee zijn de bergbewoners van Dixie weer terug bij af.

Fiddlin’ and Pickin’

Na het zien van folk art, het luisteren naar verhalen en verstrikt geraakt te zijn in de kudzu in de Smoky Mountains hebben we ons ondergedompeld in bluegrass en old time music. Het Watermelon Park Fest, net buiten het idyllische Berryville in Virginia, is een van de vele bluegrass festivals in de Deep South. In de hitte van de vroege herfst vonden de toeschouwers naast meeslepende muziek verkoeling in de Shenandoah River.

Bluegrass is een sub-genre van country muziek en bestaat uit een mengeling van de muziek die de Schots-Ierse immigranten meebrachten gecombineerd met African-American invloeden van jazz en blues. Bluegrass wordt bijna altijd gespeeld op snaarinstrumenten als de ‘fiddle’ (viool), mandoline, bas, gitaar (bespeeld met een ‘picking’ techniek) en banjo (afkomstig uit Afrika). Net als in de jazz speelt improvisatie een grote rol en wordt de melodie van instrument op instrument overgedragen. Bluegrass werd in eerste instantie ‘hillbilly mountain music’ genoemd. In de jaren ’40 introduceerde de ‘father of bluegrass’ Bill Monroe het genre: “Scottish bagpipes and ole-time fiddlin’. It’s Methodist and Holiness and Baptist. It’s blues and jazz, and it has a high lonesome sound. It’s plain music that tells a good story. It’s played from my heart to your heart, and it will touch you. Bluegrass is music that matters.”

Bill Monroe had de eerste officiële bluegrass band, de Blue Grass Boys uit Kentucky (Kentucky wordt ook wel ‘the blue grass state’ genoemd, naar de veel voorkomende grassoort). Niet alleen de naam van het genre maar ook verschillende termen gelinkt aan de manier van spelen komen van de verschillende leden van de band. Zoals Earl Scruggs met de Scruggs Style, het bespelen van de banjo met drie vingers. Zelf beweerde Earl Scruggs dat zijn leraar Snuffy Jenkins dit had geleerd van Rex Brooks en Smith Hammet in de jaren ’20. De wortels van bluegrass zijn uiteindelijk overal in de zuidelijke staten te vinden en de ontwikkeling van het genre gaat tot op de dag van vandaag door. Films als Deliverance en O Brother, Where Art Thou? hebben het genre steeds opnieuw geïntroduceerd bij het grotere publiek.

Deze films hebben het aura van de hillbilly zo stevig aan bluegrass en old time music gelinkt dat het verbazingwekkend was hoeveel hippies er op het Watermelon Park Fest rondliepen. Niets geen rauwe bierdrinkende mannen met oude, roestende, piepende pick-ups, maar frêle meisjes in batik jurkjes met schaafijs en pancakes.

Zoals de hippies ons bevooroordeelde idee van de toeschouwers hadden veranderd, deed de organisatie dit door niet alleen traditionele bluegrass te programmeren maar ook de jongere generatie, zoals Punch Brothers en Shotgun Party, die naast old time music en jazz ook radiohead en klassiek door laten sijpelen in hun muziek. De grootste uitzondering was de creoolse fiddler en accordeonist Cedric Watson. Hij bracht een beetje New Orleans naar Virginia.

Onze favoriet was het trio Larry Keel, David Via en John Flower met het fantastische lied ‘Moonshine in the moonlight’ (geschreven door Via). Helaas hebben we dat nummer niet kunnen opnemen, maar in het volgende filmpje een uitvoering van Hotwax and the Splinters.

Wel hebben we een ander typisch bluegrass geluid van deze drie mannen. Luister hier naar Larry Keel, David Via en John Flower, die speciaal voor het Watermelon Park Fest een trio vormden.

Searching for the Wrong-Eyed Jesus

Op het IDFA 2005 zagen wij de documentaire Searching for the Wrong-Eyed Jesus. Regisseur Andrew Douglas verkent samen met country zanger Jim White de zuidelijke staten van de VS. In een roestige auto gaan ze opzoek naar de muziek en de verhalen die de identiteit van ‘the South’ weergeven.

Mooie beelden van de natuur in the South worden afgewisseld met korte toelichtingen van White. Af en toe wordt er iemand anders aan het woord gelaten. Zo ook de schrijver Harry Crews, onder andere bekend van het zeer aan te raden A feast of Snakes.